Een mand vol dekentjes

Een mand vol dekentjes

‘Dit dekentje ga ik voorlopig niet in de was doen,’ verzucht Inge. ‘Nu ons mam er niet meer is, kan ik haar toch heel dicht bij me voelen als ik mijn neus erin steek. Ik hoop zo dat haar geur nog heel lang verstopt blijft in deze mooie, gehaakte bloemen.’ Terwijl ze dit zegt drukt ze een fleurig gehaakt dekentje tegen zich aan. Het dekentje doet precies waarvoor de maakster het heeft bedoeld: het biedt Inge troost.

In de zitkamer van het hospice aan de Dommelrodelaan staat een mand vol met deze troostdekentjes in allerlei kleuren. De dekentjes zijn gehaakt door een paar vrijwilligers, maar het idee ervoor kwam van Ans, een dorpsgenoot die geen connectie had met het hospice maar zich wel betrokken voelde. Ze vond in haar leven nog niet voldoende ruimte om zich als vrijwilliger te melden, maar ze droeg het hospice wel een heel warm hart toe. In korte tijd namen ook enkele vrijwilligers de haaknaald ter hand. En toen bleek dat de bewoners verknocht raakten aan zo’n persoonlijk dekentje, brachten veel mensen restjes wol mee. Zo kon er een voorraad dekentjes worden aangelegd.

De moeder van Inge verbleef ruim twee maanden in het hospice. Overal waar ze ging, ging het dekentje mee. Aanvankelijk lag het over haar benen als ze in een leunstoel in de huiskamer zat. Later kreeg het een plekje op het voeteneinde van haar bed. Na haar overlijden mocht de familie het dekentje meenemen. Inge: ‘Dit dekentje biedt mij troost, maar herinnert me ook aan de warme zorg die niet alleen ons mam maar ook ons pap en ik in het hospice hebben ondervonden. Ook voor mij was er die zorg: ik kon met mijn verdriet hier altijd terecht. Als iemand mij zou vragen om het hospice in één woord te karakteriseren, dan zeg ik: warmte.‘ Ze besluit: ‘Weet je wat ik met het dekentje ga doen? Ik ben mantelzorger voor mijn vader. Ik neem het mee naar zijn huis. Dan kan hij er nog van genieten. Zo blijft het dekentje een dierbare herinnering aan mijn moeder.’